Verheerlijkt zijt Gij, o Heer mijn God! Ik smeek U bij de aanstormende wind van Uw genade en bij hen die het ochtendgloren van Uw doel en de dageraadsplaats van Uw bezieling zijn, om tot mij en tot allen die Uw aangezicht hebben gezocht neer te zenden hetgeen Uw edelmoedigheid en vrijgevigheid past en Uw gaven en gunsten waardig is. Arm en eenzaam ben ik, o mijn Heer! Dompel mij in de oceaan van Uw rijkdom; dorstend ben ik, laat mij van de levende wateren van Uw goedertierenheid drinken. Ik smeek U, bij Uzelf en bij Hem die Gij hebt aangesteld als de Manifestatie van Uw eigen Wezen en Uw onderscheidend woord voor allen die in de hemel en op aarde zijn, om Uw dienaren bijeen te brengen onder de schaduw van de boom van Uw genadige voorzienigheid. Help hen dan van zijn vruchten te nemen, en te luisteren naar het ruisen van zijn bladeren en naar de zoete stem van de Vogel die op zijn takken zingt. Gij zijt waarlijk de Helper in nood, de Ontoegankelijke, de Almachtige, de Milddadigste. Bahá’u’lláh
Geprezen zijt Gij, o Heer mijn God! Ik smeek U, bij Uw Allergrootste Naam waardoor Gij Uw dienaren hebt opgewekt en Uw steden hebt opgebouwd, en bij Uw voortreffelijkste titels en Uw verhevenste eigenschappen, Uw volk te helpen zich naar Uw menigvuldige gaven te richten en hun gelaat naar de tabernakel van Uw wijsheid te wenden. Genees de kwalen die de mensen van alle kanten hebben overvallen en die hen verhinderen hun blik te richten naar het Paradijs dat in de beschutting ligt van Uw beschermende Naam, die Gij hebt bestemd tot de Koning aller namen voor allen die in de hemel en allen die op aarde zijn. Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. In Uw handen ligt de heerschappij over alle namen. Er is geen ander God dan Gij, de Machtige, de Wijze. Ik ben slechts een arm schepsel, o mijn Heer; ik klem mij aan de zoom van Uw rijkdom. Ik ben ernstig ziek en houd mij vast aan het koord van Uw genezing. Verlos mij van de ziekten die mij omringen, reinig mij grondig met het water van Uw goedgunstigheid en genade, en tooi mij met het gewaad van gezondheid door Uw vergiffenis en milddadigheid. Vestig dan mijn ogen op U en maak mij vrij van alle gehechtheid aan iets of iemand buiten U. Help mij te doen wat Gij wenst en te volbrengen wat U behaagt. Gij zijt waarlijk de Heer van dit leven en van het volgende. Gij zijt, in waarheid, de Immervergevende, de Algenadige. Bahá’u’lláh Bahá’u’lláh and the New Era, blz. 99
Verheerlijkt zijt Gij, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Hem die Uw Grootste Naam is, die diep is gekweld door dezulken Uwer schepselen die Uw waarheid hebben verworpen, en die omsloten werd door smarten die niet met woorden te beschrijven zijn, te geven dat ik U zal gedenken en Uw lof zal bezingen in deze dagen waarop allen zich hebben afgewend van Uw schoonheid, met U hebben geredetwist en zich minachtend hebben afgekeerd van Hem die de Openbaarder van Uw Zaak is. Er is niemand, o mijn Heer, om U te helpen dan Uzelf, en geen kracht om U te steunen dan Uw eigen kracht. Ik smeek U mij in staat te stellen mij vastberaden aan Uw liefde en Uw gedachtenis vast te klemmen. Dit ligt waarlijk in mijn vermogen en Gij zijt Degeen die alles weet wat in mij is. Gij zijt waarlijk de kenner en Gij zijt op de hoogte van alles. O mijn Heer, ontneem mij niet de pracht van het licht van Uw gelaat, welks glans de gehele wereld verlicht. Geen God is er buiten U, de Krachtigste, de Alglorierijke, de Immervergevende. Bahá’u’lláh
Verheerlijkt zijt Gij, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Uw Uitverkorenen, en bij hen die Uw vertrouwen hebben, en bij Hem die Gij aangewezen hebt als het Zegel van Uw Profeten en Uw Boodschappers, mij het U gedenken tot metgezel te laten zijn, en Uw liefde mijn streven, en Uw gelaat mijn doel, en Uw naam mijn lamp, en Uw wens mijn verlangen, en Uw behagen mijn genoegen. Ik ben een zondaar, o mijn Heer, en Gij zijt de Immervergevende. Zodra ik U had erkend heb ik mij gehaast het verheven hof van Uw goedertierenheid te bereiken. Vergeef mij, o mijn Heer, mijn zonden die mij beletten de wegen van Uw welbehagen te bewandelen en de kusten van de oceaan van Uw één-zijn te bereiken. Ik kan mijn gelaat tot niemand wenden die mij met mededogen kan behandelen, o mijn Heer, en ik kan van niemand die mij mededogen kan betonen barmhartigheid verlangen. Ik smeek U, verstoot mij niet uit de tegenwoordigheid van Uw genade, en onthoud mij de uitstortingen van Uw goedgunstigheid en gaven niet. Bestem dan voor mij, o mijn Heer, hetgeen Gij bestemd hebt voor hen die U liefhebben en schrijf voor mij neer hetgeen Gij voor Uw uitverkorenen hebt neergeschreven. Mijn blik is immer gevestigd op de horizon van Uw genadige voorzienigheid, en mijn ogen zijn gericht op het hof van Uw tedere barmhartigheid. Handel met mij naar het U voegt. Geen God is er dan Gij, de God van kracht, de God van heerlijkheid, Wiens hulp wordt afgesmeekt door alle mensen. Bahá’u’lláh
Al wie dit gebed wenst te reciteren, laat hij gaan staan en zich tot God wenden en laat hij, terwijl hij daar stilstaat, naar links en rechts kijken als verwacht hij de genade van zijn Heer, de Albarmhartige, de Meedogende. Laat hij dan zeggen:
O Gij, die de Heer aller namen zijt en de Maker der hemelen! Ik smeek U, bij Hen die de Dageraden zijn van Uw onzichtbare Essentie, de Verhevenste, de Alglorierijke, mijn gebed te maken tot een vuur dat de sluiers die mij van Uw schoonheid uitsluiten zal wegbranden en tot een licht dat mij naar de oceaan van Uw tegenwoordigheid zal leiden.
Laat hij dan zijn handen smekend heffen tot God – gezegend en verheven zij Hij – en zeggen:
O Gij het Verlangen der wereld en Geliefde der volkeren! Gij ziet hoe ik mij tot U keer, bevrijd van alle gehechtheid aan eenieder buiten U, en mij vastklem aan Uw koord door welks beweging de gehele schepping in beroering is gebracht. Ik ben Uw dienaar, o mijn Heer, en de zoon van Uw dienaar. Aanschouw mij, bereid Uw wil te doen en Uw verlangen te vervullen, en niets anders wensend dan Uw welbehagen. Ik smeek U bij de oceaan van Uw erbarmen en de dagster van Uw genade om met Uw dienaar te doen naar Uw wil en behagen. Bij Uw macht die alle vermelding en lof verre te boven gaat! Al hetgeen door U is geopenbaard, is wat mijn hart verlangt en mijn ziel liefheeft. O God, mijn God! Zie niet naar wat ik hoop en doe, neen, zie liever naar Uw wil die hemelen en aarde omvat. Bij Uw Allergrootste Naam, o Gij Heer aller volkeren! Ik verlang slechts hetgeen Gij verlangt en heb slechts lief hetgeen Gij liefhebt.
Laat hij dan neerknielen en met zijn voorhoofd op de grond zeggen:
Verheven zijt Gij boven de beschrijving van ieder ander dan Uzelf en boven het begrip van alles buiten U.
Laat hij dan opstaan en zeggen:
Maak mijn gebed, o mijn Heer, tot een bron van levend water waardoor ik leve zolang Uw heerschappij voortduurt en U noeme in elk van Uw werelden.
Laat hij opnieuw zijn handen smekend heffen en zeggen:
O Gij, om wie harten en zielen, wanneer van U gescheiden, wegkwijnen en door het vuur van Wiens liefde de gehele wereld in vlam is gezet! Ik smeek U, bij Uw Naam door welke Gij de gehele schepping onderwerpt, mij niet te onthouden hetgeen bij U is, o Gij die over alle mensen heerst! Gij ziet, o mijn Heer, deze vreemdeling zich haasten naar zijn verhevenste woning onder het baldakijn van Uw majesteit en in de voorhof van Uw barmhartigheid, en deze zondaar de oceaan van Uw vergiffenis, deze ootmoedige het hof van Uw heerlijkheid en dit arme schepsel de luister van Uw rijkdom zoeken. Aan U is het gezag om al hetgeen Gij wilt te bevelen. Ik getuig dat Gij moet worden geprezen in Uw werken en gehoorzaamd in Uw bevelen en dat Gij steeds onbeperkt blijft in Uw gebod.
Laat hij dan zijn handen heffen en driemaal de Grootste Naam zeggen. Laat hij zich dan met zijn handen op zijn knieën voor God – gezegend en verheven zij Hij – neerbuigen en zeggen:
Gij ziet, o mijn God, hoe mijn geest in merg en been is wakker geschud in zijn verlangen U te aanbidden en in zijn hunkering U te gedenken en U te loven; hoe hij betuigt hetgeen de Tong van Uw gebod betuigt in het koninkrijk van Uw woord en in de hemel van Uw kennis. In deze staat, o mijn Heer, smeek ik U zielsgraag om al hetgeen bij U is, dat ik mijn armoede tone en Uw milddadigheid en Uw rijkdom verheerlijke, mijn machteloosheid verkondige en Uw kracht en Uw macht openbare.
Laat hij dan opstaan, tweemaal zijn handen smekend heffen, en zeggen:
Er is geen God dan Gij, de Almachtige, de Almilddadige. Er is geen God dan Gij, de Beschikker, zowel in den beginne als in het einde. O God, mijn God! Uw vergiffenis heeft mij moed gegeven en Uw barmhartigheid heeft mij gesterkt; Uw roep heeft mij gewekt en Uw genade heeft mij opgericht en mij tot U geleid. Wie ben ik immers dat ik aan de poort van de stad van Uw nabijheid zou durven staan of mijn gelaat zou durven keren naar het licht dat uit de hemel van Uw wil schijnt? Gij ziet, o mijn Heer, dit armzalige schepsel aan de deur van Uw genade kloppen en deze vergankelijke ziel de rivier van eeuwig leven zoeken uit de handen van Uw milddadigheid. Aan U is het te allen tijde te bevelen, o Gij die de Heer aller namen zijt, en het is aan mij te berusten en mij vol overgave te onderwerpen aan Uw wil, o Schepper der hemelen!
Laat hij dan driemaal zijn handen heffen en zeggen:
God is groter dan ieder die groot is!
Laat hij dan neerknielen en met zijn voorhoofd op de grond zeggen:
Gij zijt zo verheven dat de lof van hen die U nabij zijn niet kan opstijgen naar de hemel van Uw nabijheid, en de vogelen der harten van hen die U zijn toegewijd de deur van Uw poort niet kunnen bereiken. Ik betuig dat Gij boven alle eigenschappen verheven zijt en boven alle namen geheiligd. Geen God is er dan Gij, de Verhevenste, de Alglorierijke.
Laat hij dan gaan zitten en zeggen:
Ik betuig hetgeen al het geschapene en de Schare in den hoge en de bewoners van het allerhoogste Paradijs en daarenboven de Tong van Grootheid zelf vanaf de alglorierijke Horizon betuigen: dat Gij God zijt, dat er geen God is dan Gij en dat Hij die is geopenbaard het verborgen Mysterie is, het gekoesterde Symbool door wie de letters W, E, E, en S (Wees) zijn samengevoegd en verbonden. Ik betuig dat Hij degeen is Wiens naam is neergeschreven door de Pen van de Allerhoogste en die vermeld is in de Boeken Gods, de Heer van de Troon in den hoge en van de aarde hier beneden.
Laat hij dan rechtop staan en zeggen:
O Heer van alle zijn en Bezitter van al het zichtbare en onzichtbare! Gij bemerkt mijn tranen en de zuchten die ik slaak, en hoort mijn steunen, mijn jammeren en het weeklagen van mijn hart. Bij Uw macht! Mijn overtredingen beletten mij U te naderen, en mijn zonden houden mij ver van het hof van Uw heiligheid. Uw liefde, o mijn Heer, verrijkt mij, het gescheiden zijn van U vernietigt mij en het veraf zijn van U verteert mij. Ik smeek U bij Uw voetstappen in deze wildernis en bij de woorden “Hier ben ik. Hier ben ik” die Uw Uitverkorenen in deze onmetelijkheid hebben geuit, en bij de ademtocht van Uw Openbaring en de zachte bries van de Dageraad van Uw Manifestatie te beschikken dat ik Uw schoonheid mag aanschouwen en al hetgeen in Uw Boek is neergelegd nakome.
Laat hij dan driemaal de Grootste Naam zeggen, zich neerbuigen en met zijn handen op zijn knieën rustend, zeggen:
Ere zij U, o mijn God, dat Gij mij hebt bijgestaan U te gedenken en U te loven, en dat Gij Hem die de Dageraad van Uw tekenen is aan mij hebt bekendgemaakt; dat Gij mij ertoe hebt gebracht mij voor Uw Heerschappij te buigen, mij voor Uw Godheid te verootmoedigen en hetgeen door de Tong van Uw grootheid is geuit te erkennen.
Laat hij dan rechtop gaan staan en zeggen:
O God, mijn God! Mijn rug is gebogen onder de last van mijn zonden en mijn onachtzaamheid heeft mij vernietigd. Steeds wanneer ik mijn boze werken en Uw weldadigheid overdenk, verteert mijn hart in mij en kookt het bloed in mijn aderen. Bij Uw Schoonheid, o Gij het Verlangen der wereld! Ik schaam mij mijn gelaat tot U te heffen, en mijn verlangende handen schromen zich uit te strekken naar de hemel van Uw milddadigheid. Gij ziet, o mijn God, hoe mijn tranen mij beletten U te gedenken en Uw deugden te prijzen, o Gij, de Heer van de Troon in den hoge en van de aarde hier beneden! Ik smeek U, bij de tekenen van Uw Koninkrijk en de geheimen van Uw Heerschappij, met Uw geliefden te doen naar het Uw milddadigheid betaamt, o Heer van alle zijn, en het Uw genade waardig is, o Koning van het geziene en het ongeziene!
Laat hij dan driemaal de Grootste Naam zeggen, neerknielen met zijn voorhoofd op de grond, en zeggen:
Ere zij U, o onze God, dat Gij tot ons hebt neergezonden hetgeen ons U doet naderen en dat Gij ons voorziet van al het goede dat Gij in Uw Boeken en Geschriften tot ons hebt gezonden. Wij smeken U, o mijn Heer, bescherm ons tegen de scharen van ijdele waan en nutteloze verbeelding. Gij zijt in waarheid de Machtige, de Alwetende.
Laat hij dan zijn hoofd oprichten, gaan zitten en zeggen:
Ik betuig, o mijn God, hetgeen Uw uitverkorenen betuigen en erken hetgeen de bewoners van het allerhoogste Paradijs en zij die Uw machtige Troon omringen erkennen. De koninkrijken van hemel en aarde zijn de Uwe, o Heer der werelden!
Ik smeek U, o mijn God, bij Uw machtige Teken en bij de openbaring van Uw genade onder de mensen, mij niet weg te houden van de poort van de stad van Uw tegenwoordigheid en mij niet teleur te stellen in mijn hoop op de openbaringen van Uw genade onder Uw schepselen. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.
Ik smeek U, o mijn God, bij Uw allerzoetste Stem en bij Uw verhevenste Woord, mij steeds dichter tot de drempel van Uw deur te voeren en mij niet ver verwijderd te laten zijn van de schaduw van Uw genade en het baldakijn van Uw milddadigheid. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.
Ik smeek U, o mijn God, bij de pracht van Uw lichtend aanschijn en de helderheid van het licht van Uw aangezicht, dat van de allerhoogste horizon schijnt, mij aan te trekken met de zoete geur van Uw gewaad en mij te laten drinken van de uitgelezen wijn van Uw woorden. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.
Ik smeek U, o mijn God, bij Uw haar dat over Uw gelaat speelt gelijk Uw verhevenste pen zich over de bladzijden van Uw Tafelen beweegt, waarbij de muskus van verborgen betekenissen zich over het rijk van Uw schepping verspreidt, mij zo te verheffen om Uw Zaak te dienen dat ik niet zal wijken, noch zal worden gehinderd door de inblazingen van hen die Uw tekenen betwisten en zich van Uw gelaat hebben afgekeerd. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.
Ik smeek U, o mijn God, bij Uw Naam die Gij tot de Koning van Namen hebt gemaakt, waardoor allen die in de hemel en allen die op aarde zijn in vervoering zijn gebracht, mij in staat te stellen de Dagster van Uw Schoonheid te aanschouwen en mij te voorzien van de wijn van Uw woorden. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.
Ik smeek U, o mijn God, bij de tabernakel van Uw majesteit op de verhevenste toppen en bij het baldakijn van Uw Openbaring op de hoogste heuvelen, mij genadiglijk bij te staan datgene te doen wat door Uw wil is opgelegd en door Uw plan is aangegeven. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.
Ik smeek U, o mijn God, bij Uw schoonheid die gloort boven de horizon van eeuwigheid, een schoonheid waarvoor het rijk van schoonheid zich in aanbidding neerbuigt en haar met schallende tonen verheerlijkt zodra zij zich openbaart, mij te vergunnen dat ik sterf jegens al wat ik bezit en leef voor al hetgeen U toebehoort. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.
Ik smeek U, o mijn God, bij de Manifestatie van Uw Naam, de Welbeminde, door wie het hart van Uw minnaars werd verteerd en de ziel van allen die op aarde verblijven zich hoog heeft verheven, mij te helpen U te gedenken onder Uw schepselen en U te verheerlijken onder Uw volk. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.
Ik smeek U, o mijn God, bij het geritsel van de goddelijke Lotusboom en het ruisen van de bries van Uw woorden in het koninkrijk van Uw namen, mij verre te houden van al wat Uw wil verafschuwt en mij dicht bij de rang te brengen waarin Hij die de dageraad van Uw tekenen is helder schijnt. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.
Ik smeek U, o mijn God, bij die Letter die, zodra deze uit de mond van Uw wil voortkwam, de oceanen deed rijzen, de wind liet waaien, de vruchten deed voortkomen, de bomen deed opkomen, alle vroegere sporen heeft uitgewist, alle sluiers vaneen heeft gereten, en hen die U toegewijd zijn naar het licht van het aangezicht van hun Heer, de Onbeperkte, deed snellen, aan mij kenbaar te maken hetgeen in de schatkamers van Uw kennis en in de bewaarplaatsen van Uw wijsheid verborgen heeft gelegen. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.
Ik smeek U, o mijn God, bij het vuur van Uw liefde dat de slaap uit de ogen van Uw uitverkorenen en Uw geliefden heeft verdreven, en bij het U gedenken en lofprijzen bij het aanbreken van de dag, mij te rekenen tot hen die bereikt hebben hetgeen Gij in Uw Boek hebt neergezonden en door Uw wil hebt geopenbaard. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.
Ik smeek U, o mijn God, bij het licht van Uw aangezicht dat hen die U nabij zijn ertoe bracht de pijlen van Uw gebod tegemoet te treden en hen die U zijn toegewijd ertoe bracht het zwaard van Uw vijanden op Uw pad te trotseren, met Uw verhevenste Pen voor mij neer te schrijven hetgeen Gij hebt neergeschreven voor Uw vertrouwelingen en Uw uitverkorenen. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.
Ik smeek U, o mijn God, bij Uw Naam waardoor Gij hebt geluisterd naar de roep van Uw minnaars, naar het zuchten van hen die naar U verlangen, naar de kreten van hen die Uw nabijheid genieten, en naar het gekreun van hen die U zijn toegewijd, en waardoor Gij de wensen van hen die hun hoop op U hebben gevestigd hebt vervuld, en hun verlangens hebt ingewilligd door Uw genade en gunsten, en bij Uw Naam waardoor de oceaan van vergeving voor Uw gelaat aanzwol en de wolken van Uw edelmoedigheid op Uw dienaren neerregenden, voor eenieder die zich tot U heeft gekeerd en de door U geboden Vasten heeft gehouden, de beloning neer te schrijven die beschikt is voor hen die niet spreken dan met Uw goedvinden en die alles wat zij bezaten hebben opgegeven op Uw pad en uit liefde voor U.
Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uzelf, en bij Uw tekenen en Uw duidelijke bewijzen, en het stralende licht van de Dagster van Uw schoonheid, en bij Uw Takken, de overtredingen uit te wissen van hen die zich aan Uw wetten vasthouden, en in acht nemen wat Gij hun in Uw Boek hebt voorgeschreven. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.
*(Deze Tafel wordt gelezen bij de graftomben van Baha’u’llah en Bab , en wordt ook vaak gebruikt bij Hun gedenkdagen.)
De lof die vanuit Uw verhevenste Wezen is verschenen en de glorie die vanuit Uw luisterrijkste Schoonheid is voortgekomen ruste op U, o Gij die de Manifestatie van Grootheid zijt, en de Koning van Eeuwigheid, en de Heer van allen die in de hemel en op aarde zijn! Ik betuig dat door U de soevereiniteit van God en Zijn heerschappij, en de majesteit van God en Zijn grootheid zijn onthuld, de Dagsterren van aloude pracht hun luister in de hemel van Uw onherroepelijk gebod hebben verspreid, en de Schoonheid van de Ongeziene helder schijnt boven de horizon der schepping. Ik betuig bovendien dat Uw uitdrukkelijk bevel “Weest Gij” met slechts één beweging van Uw Pen is voltrokken, Gods verborgen Geheim is onthuld, al het geschapene tot leven is geroepen en alle Openbaringen zijn neergezonden.
Ik getuig bovendien dat door Uw schoonheid de schoonheid van de Aanbedene is ontsluierd, door Uw gelaat het gelaat van de Begeerde heeft geschenen, en dat Gij met één woord van U tussen al het geschapene hebt geoordeeld, waardoor zij die U zijn toegewijd naar de top van heerlijkheid opstijgen, en de ongelovigen in de diepste afgrond vallen.
Ik getuig dat hij die U kent God kent, en dat hij die Uw tegenwoordigheid bereikt de tegenwoordigheid Gods bereikt. Groot is daarom de gelukzaligheid van hem die in U en in Uw tekenen gelooft, die zich voor Uw soevereiniteit verootmoedigt, de eer geniet U te ontmoeten, het welbehagen van Uw wil verwerft, zich rond U beweegt en voor Uw troon heeft gestaan. Wee hem die tegen U zondigt en U verloochent, Uw tekenen afwijst, Uw soevereiniteit ontkent, tegen U opstaat, zich voor Uw aangezicht verhovaardigt, Uw bewijzen betwist, van Uw bewind en Uw heerschappij wegvlucht, en tot de ongelovigen wordt gerekend wier namen door de vingers van Uw bevel op Uw heilige Tafelen zijn gegrift.
Laat dan, o mijn God en mijn Geliefde, uit de rechterhand van Uw barmhartigheid en Uw goedertierenheid de heilige adem van Uw gunsten tot mij komen, dat zij mij van mijzelf en van de wereld mag wegvoeren naar de hoven van Uw nabijheid en van Uw tegenwoordigheid. Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Gij zijt waarlijk oppermachtig over alle dingen.
Het gedenken van God en Zijn lof, en de heerlijkheid van God en Zijn luister rusten op U, o Gij die Zijn schoonheid zijt! Ik getuig dat het oog der schepping nimmer heeft gerust op iemand zo verguisd als Gij. Gij waart alle dagen van Uw leven ondergedompeld in een oceaan van beproevingen. Er was een tijd dat Gij geketend en geboeid waart; andermaal werd Gij bedreigd door het zwaard van Uw vijanden. Ondanks dit alles hebt Gij toch alle mensen bevolen na te komen hetgeen U werd voorgeschreven door Hem die de Alwetende, de Alwijze is.
Moge mijn geest een offer zijn voor het onrecht dat Gij hebt ondergaan en mijn ziel een losgeld voor de tegenspoed die Gij hebt verduurd. Ik smeek God, bij U en bij hen wier gelaat is verlicht door de pracht van het licht van Uw aangezicht, en die uit liefde voor U al wat hun werd bevolen zijn nagekomen, om de sluiers die tussen U en Uw schepselen zijn gekomen weg te nemen, en mij te voorzien van het goede van deze wereld en de wereld die komen gaat. Gij zijt in waarheid de Almachtige, de Verhevenste, de Alglorierijke, de Immervergevende, de Meedogendste.
Zegent Gij, o Heer mijn God, de goddelijke Lotusboom en zijn bladeren, zijn takken, zijn twijgen, zijn stammen en zijn uitlopers, zolang Uw voortreffelijkste namen en Uw verhevenste eigenschappen blijven bestaan. Bescherm hem dan tegen het kwaad van de aanvaller en de legers van tirannie. Gij zijt, in waarheid, de Almachtige, de Krachtigste. Zegent Gij eveneens, o Heer mijn God, Uw dienaren en Uw dienaressen die U bereikt hebben. Gij zijt waarlijk de Almilddadige, Wiens genade oneindig is. Geen God is er buiten U, de Immervergevende, de Edelmoedigste.
Dagelijks te reciteren, ’s ochtends, ‘s middags en ’s avonds.
Laat al wie wenst te bidden, zijn handen wassen en onder het wassen zeggen:
Sterk mijn hand, o mijn God, dat zij Uw Boek zo onwrikbaar mag vasthouden dat de wereldse scharen er geen macht over zullen hebben. Behoed haar dan voor bemoeienis met al hetgeen haar niet toebehoort. Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Almogende.
Laat hij terwijl hij zijn gezicht wast, zeggen:
Ik heb mijn gelaat naar U gekeerd, o mijn Heer! Verlicht het met het licht van Uw aanschijn. Bescherm het, dat het zich tot niemand wende buiten U.
Laat hij dan rechtop staan en met zijn gezicht naar de Qiblih zeggen:
God betuigt dat er geen ander God is dan Hij. Hem behoren de koninkrijken van openbaring en van schepping. Hij heeft in waarheid Hem geopenbaard die de Dageraad van Openbaring is, die op de Sinaï heeft gesproken, door wie de Allerhoogste Horizon is gaan lichten, en de Lotusboom waar niemand voorbij kan gaan heeft gesproken, en door wie aan allen in de hemel en op aarde de roep is verkondigd: “Zie, de Albezitter is gekomen. Hemel en aarde, glorie en heerschappij zijn van God, de Heer aller mensen en de Bezitter van de Troon in den hoge en van de aarde hier beneden!”
Laat hij dan buigen, met de handen rustend op de knieën, en zeggen:
Verheven zijt Gij boven mijn lof en de lof van eenieder buiten mij, boven mijn beschrijving en de beschrijving van allen die in de hemel en allen die op aarde zijn!
Laat hij dan, staande met open handen, de handpalmen naar zijn gezicht geheven, zeggen:
Stel, o mijn God, hem die zich met smekende vingers aan de zoom van Uw genade en barmhartigheid vastklemt niet teleur, o Gij die van hen die erbarmen tonen de Barmhartigste zijt!
Laat hij dan gaan zitten en zeggen:
Ik getuig van Uw eenheid en Uw één-zijn, en dat Gij God zijt, en dat er geen ander God is dan Gij. Waarlijk, Gij hebt Uw Zaak geopenbaard, Uw Verbond vervuld en de deur van Uw barmhartigheid wijd geopend voor allen die in de hemel en op aarde verwijlen. Zegen en vrede, heil en heerlijkheid rusten op Uw geliefden die door het wel en wee der wereld niet zijn weerhouden zich tot U te wenden en die alles geven in de hoop te verkrijgen hetgeen bij U is. Gij zijt in waarheid de Immervergevende, de Almilddadige.
*(Als iemand in plaats van het lange vers de volgende woorden verkiest te reciteren: “God betuigt dat er geen ander God is dan Hij, de Helper in nood, de Bij-zich-bestaande”, zal dit voldoende zijn. Ook zal het voldoende zijn als hij zittende deze woorden zegt: “Ik getuig van Uw eenheid en Uw één-zijn, en dat Gij God zijt, en dat er geen ander God is dan Gij.”)
Geprezen zijt Gij, o mijn God, dat Gij Naw-Rúz hebt ingesteld als een feestdag voor hen die de Vasten hebben gehouden uit liefde voor U en zich hebben onthouden van al wat U weerzinwekkend is. Vergun, o mijn Heer, dat het vuur van Uw liefde en de gloed die de door U opgelegde Vasten teweeg heeft gebracht hen in vlam zet voor Uw Zaak, en laat hen zich bezighouden met het U eren en gedenken.
Daar Gij hen hebt getooid, o mijn Heer, met het sieraad van de door U voorgeschreven Vasten, tooi hen dan, door Uw genade en milddadige gunst, eveneens met het sieraad van Uw aanvaarding. Want alle doen en laten van de mens is afhankelijk van Uw welbehagen en wordt door Uw bevel bepaald. Indien Gij hem die de Vasten heeft gebroken beschouwt als iemand die hem heeft gehouden dan zal diegene worden gerekend tot hen die in alle eeuwigheid de Vasten hebben gehouden. En indien Gij beveelt dat hij die de Vasten heeft gehouden hem heeft gebroken dan zal die mens worden gerekend tot degenen die de mantel van Uw Openbaring met stof hebben bezoedeld en die ver verwijderd zijn van de kristalheldere wateren van deze levende Bron.
Gij zijt Degeen door Wie het vaandel “Loffelijk zijt Gij in Uw werken” is geheven, en de banier “Gehoorzaamd wordt Gij naar Uw bevel” is ontrold. Maak Uw staat aan Uw dienaren bekend, o mijn God, zodat zij gaan beseffen dat de voortreffelijkheid van alle dingen afhankelijk is van Uw gebod en Uw woord, en de verdienste van iedere handeling wordt bepaald door Uw goedkeuring en het welbehagen van Uw wil, en zij mogen erkennen dat de teugels van ‘s mensen daden in de greep van Uw aanvaarding en Uw gebod liggen. Maak dit aan hen bekend, opdat niets hen ooit zal uitsluiten van Uw Schoonheid in deze dagen waarin de Christus uitroept: “Alle heerschappij is aan U, o Gij de Verwekker van de Geest (Jezus)”, en Uw Vriend (Mohammed) uitroept: “Glorie zij U, o Gij de Welbeminde, want Gij hebt Uw Schoonheid onthuld, en voor Uw uitverkorenen neergeschreven hetgeen hen de zetel van de openbaring van Uw Allergrootste Naam zal doen bereiken, die alle mensen deed weeklagen behalve hen die zich hebben onthecht van alles buiten U en zich hebben gericht op Hem die de Openbaarder is van Uzelf en de Manifestatie van Uw eigenschappen.”
Hij die Uw tak is en allen die met U zijn, o mijn Heer, hebben op deze dag hun vasten gebroken nadat zij zich eraan hebben gehouden binnen de grenzen van Uw hof, in hun vurig verlangen U te behagen. Bepaalt Gij voor hem, en voor hen, en voor allen die in deze dagen Uw tegenwoordigheid hebben bereikt, al het goede dat Gij in Uw Boek hebt beschikt. Voorzie hen dan van hetgeen hen ten goede zal komen, zowel in dit leven als in het leven hierna.
Gij zijt in waarheid de Alwetende, de Alwijze.
Glorie zij U, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Uw Naam waardoor Hij die Uw Schoonheid is op de troon van Uw Zaak is geplaatst, en bij Uw Naam waardoor Gij alle dingen verandert, alle dingen bijeengaart, alle dingen ter verantwoording roept, alle dingen beloont, alle dingen bewaart, alle dingen in stand houdt – ik smeek U deze dienares te behoeden die haar toevlucht bij U heeft gezocht, die bescherming heeft gezocht bij Hem in wie Gij Zelf kenbaar zijt, en die al haar hoop en vertrouwen op U heeft gesteld.
Zij is ziek, o mijn God, en heeft zich onder de schaduw van de boom van Uw genezing begeven; zij is gekweld en is naar de stad van Uw bescherming gevlucht; zij is ziek en heeft de bron van Uw gunsten gezocht, zij is hevig verontrust en heeft zich gehaast de wel van Uw rust te bereiken; zij is met zonden beladen en heeft haar gelaat geheven naar het hof van Uw vergiffenis.
O mijn God en mijn Geliefde, tooi haar door Uw oppermacht en Uw goedertierenheid met het gewaad van Uw troost en Uw genezing, en laat haar drinken uit de beker van Uw genade en Uw gunsten. Bescherm haar bovendien tegen iedere kwelling en kwaal, tegen alle pijn en ziekte, en tegen al wat Gij verafschuwt.
Gij zijt in waarheid onmetelijk verheven boven alles buiten Uzelf. Gij zijt waarlijk de Genezer, de Altoereikende, de Bewaarder, de Immervergevende, de Barmhartigste.
Gij zijt Degeen, o mijn God, door Wiens namen de zieken genezen en de zwakken herstellen, de dorstigen gelaafd worden en de zwaar gekwelden tot rust komen, de eigenzinnigen worden geleid en de vernederden verheven, de armen worden verrijkt en de onwetenden onderwezen, de somberen worden verlicht en de bedroefden opgebeurd, de verkleumden worden verwarmd en de vertrapten opgericht. Door Uw Naam, o mijn God, werd al het geschapene tot leven gewekt, werden de hemelen gespreid, werd de aarde gevestigd en werden de wolken gemaakt om op de aarde te regenen. Dit is waarlijk een teken van Uw genade jegens al Uw schepselen.
Ik smeek U daarom, bij Uw Naam waardoor Gij Uw Godheid openbaarde en Uw Zaak boven de gehele schepping verheerlijkte, bij elk van Uw voortreffelijkste titels en verhevenste eigenschappen, en bij alle deugden waarmee Uw alles te boven gaande en verhevenste Wezen geprezen wordt, om vannacht vanuit de wolken van Uw genade de regen van Uw genezing neer te zenden op deze zuigeling, die Gij in het rijk van Uw schepping hebt verbonden met Uw allerheerlijkste Zelf. Kleed hem dan, o mijn God, door Uw genade, met de mantel van welzijn en gezondheid en behoed hem, o mijn Geliefde, voor elke ziekte en kwaal, en voor al hetgeen Gij verfoeilijk vindt. Uw macht kan waarlijk alle dingen overwinnen. Gij zijt, in waarheid, de Machtigste, de Bij-zich-bestaande. Zend bovendien tot hem neer, o mijn God, het goede van deze wereld en van de volgende, en het goede van vroegere en latere geslachten. Uw macht en wijsheid zijn waarlijk in staat dit te volbrengen.
Geprezen en verheerlijkt zijt Gij, o mijn God! Ik smeek U, bij het zuchten van hen die U liefhebben en bij de tranen vergoten door hen die ernaar verlangen U te aanschouwen, mij in Uw Dag Uw tedere genade niet te onthouden, en mij de melodieën van de Duif die Uw één-zijn verheerlijkt in het licht dat van Uw gelaat straalt niet te ontzeggen. Ik verkeer in nood, o God! Zie hoe ik mij stevig vasthoud aan Uw Naam, de Albezitter. Ik zal zeker ten onder gaan; zie hoe ik mij vastklamp aan Uw Naam, de Onvergankelijke. Ik smeek U daarom bij Uzelf, de Verhevene, de Allerhoogste, mij niet over te laten aan mijn eigen ik en aan de verlangens van een verdorven aard. Houdt Gij mijn hand vast met Uw hand van macht, en verlos mij uit de diepten van mijn fantasieën en nutteloze verbeeldingen, en zuiver mij van al wat U weerzinwekkend is.
Zorg dan dat ik mij geheel tot U keer, mijn gehele vertrouwen in U stel, bij U schuil en naar Uw aangezicht vlucht. Gij zijt waarlijk Degeen die door de kracht van Zijn macht al wat Hij wenst doet, en door de macht van Zijn wil al wat Hij verkiest beveelt. Niemand kan de werking van Uw gebod weerstaan; niemand kan het verloop van Uw beschikking wijzigen. Gij zijt in waarheid de Almachtige, de Alglorierijke, de Milddadigste.
Bahá´u´lláh
Is er iemand die moeilijkheden wegneemt buiten God? Zeg: Ere zij God! Hij is God! Allen zijn Zijn dienaren, en allen verblijven bij Zijn gebod!
Lof zij U, o mijn God, daar Gij het gelaat van Uw dienaren naar de rechterzijde van de troon van Uw gaven hebt gekeerd en hen onthecht deed zijn van alles buiten U, opdat zij Uw oppermacht en Uw heerlijkheid zullen erkennen. Ik getuig van de kracht van Uw Zaak, de alles doordringende invloed van Uw gebod, de onveranderlijkheid van Uw wil, de oneindigheid van Uw bedoeling. Alle dingen liggen gevangen in de greep van Uw macht en de gehele schepping is armzalig tegenover de tekenen van Uw rijkdom.
Handel daarom, o mijn God, mijn Geliefde, mijn hoogste Verlangen, met Uw dienaren en met al het door U geschapene naar het Uw schoonheid en Uw grootheid betaamt, en Uw edelmoedigheid en gaven waardig is. Gij zijt in waarheid Degeen Wiens barmhartigheid alle werelden omvat en Wiens genade allen die in de hemel en op aarde verblijven omsluit. Wie heeft U aangeroepen zonder dat zijn gebed verhoord werd? Waar is hij die U trachtte te bereiken zonder dat Gij hem nader liet komen? Wie kan zeggen dat hij zijn blik op U vestigde en dat Gij het oog van Uw goedertierenheid niet op hem richtte? Ik getuig dat Gij U naar Uw dienaren hebt gekeerd eer zij zich naar U keerden, en dat Gij aan hen hebt gedacht eer zij aan U dachten. Alle genade is van U, o Gij in Wiens hand het rijk van goddelijke gaven en de bron van elk onherroepelijk gebod ligt.
Zend daarom, o mijn God, tot allen die U zoeken datgene neer wat hen geheel zal bevrijden van alles wat niet van U is, en hen U zal doen naderen. Sta hen met Uw genade bij om U lief te hebben en zich te voegen naar hetgeen U zal behagen. Geef dan dat zij het pad van Uw Zaak blijven volgen, het pad waarop de voeten van de weifelaars onder Uw volk en de weerspannigen onder Uw dienaren uitglijden. Gij zijt waarlijk de Almogende, de Almachtige, de Grootste.
O Gij Meedogende, Almachtige! Deze hier bijeengekomen zielen hebben hun gelaat in aanbidding tot U gekeerd. Met de uiterste nederigheid en ootmoed zien zij naar Uw Koninkrijk en smeken zij U om gratie en vergeving. O God! Sluit dit gezelschap in Uw hart. Heilig deze zielen en beschijn hen met het licht van Uw leiding. Verlicht hun hart en verblijd hun gemoed met Uw blijde boodschap. Ontvang hen allen in Uw heilig Koninkrijk, schenk hun Uw onuitputtelijke milddadigheid, maak hen gelukkig in deze wereld en in de wereld die komen zal. O God! Wij zijn zwak, geef ons kracht. Wij zijn arm, verleen ons Uw onbegrensde rijkdommen. Wij zijn ziek, schenk ons Uw goddelijke genezing. Wij zijn krachteloos, geef ons Uw hemelse kracht. O Heer! Maak ons nuttig in deze wereld, bevrijd ons uit de staat van zelfzucht en begeerte. O Heer! Maak ons eensgezind in Uw liefde en maak dat wij al Uw kinderen liefhebben. Bekrachtig ons in dienstbaarheid aan de wereld der mensheid, zodat wij dienaren van Uw dienaren mogen worden, opdat wij al Uw schepselen zullen liefhebben en Uw gehele volk mededogen zullen betonen. O Heer, Gij zijt de Almachtige. Gij zijt de Barmhartige. Gij zijt de Vergevende. Gij zijt de Almogende.
Geprezen zijt Gij, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Uw tekenen die de gehele schepping omvatten, en bij het licht van Uw aangezicht dat allen die in de hemel en op aarde zijn verlicht, en bij Uw barmhartigheid die al het geschapene te boven gaat, en bij Uw genade die over het gehele universum is uitgestort, de sluiers die mij van U scheiden vaneen te scheuren, opdat ik mij spoede naar de Bron van Uw machtige bezieling en naar de Dageraad van Uw Openbaring en milddadige gunsten, en worde ondergedompeld in de oceaan van Uw nabijheid en welbehagen.
Laat mij in Uw dagen niet verstoken zijn van het U kennen, o mijn Heer, en neem de mantel van Uw leiding niet van mij weg. Geef mij te drinken uit de rivier die het ware leven is, waarvan de wateren zijn voortgestroomd uit het Paradijs (Riḍván) alwaar de troon van Uw Naam, de Albarmhartige, is opgericht, dat mijn ogen geopend, mijn gelaat verhelderd, mijn hart bemoedigd, mijn ziel verlicht en mijn schreden onwankelbaar gemaakt mogen worden.
Gij zijt Degeen die door de kracht van Zijn macht eeuwig boven alle dingen verheven waart, en die door de werking van Zijn wil alle dingen heeft kunnen bepalen. Volstrekt niets in Uw hemel of op Uw aarde kan U van Uw plan afhouden. Wees mij dan genadig, o mijn Heer, door Uw goedgunstige voorzienigheid en grootmoedigheid, en neig mijn oor naar de zoete melodieën van de vogels die Uw lof zingen op de takken van de boom van Uw één-zijn.
Gij zijt de Grote Gever, de Immervergevende, de Meedogendste.
Mijn God, mijn Vuur en mijn Licht! De dagen die Gij in Uw Boek de Ayyám-i-Há hebt genoemd zijn begonnen, o Gij die de Koning van namen zijt, en de Vasten die Uw verhevenste Pen heeft opgelegd aan allen die in het rijk van Uw schepping zijn nadert. Ik smeek U, o mijn Heer, bij deze dagen en bij al diegenen die zich gedurende deze periode aan het koord van Uw geboden hebben vastgeklemd en de handgreep van Uw voorschriften hebben gevat, te geven dat aan iedere ziel een plek wordt toebedeeld binnen de grenzen van Uw hof, en een zetel bij de openbaring van de luister van het licht van Uw aangezicht.
Dit zijn Uw dienaren, o mijn Heer, die zich door geen enkele verdorven neiging laten afhouden van hetgeen Gij in Uw Boek hebt neergezonden. Zij buigen voor Uw Zaak en hebben Uw Boek aanvaard met een vastberadenheid die alleen van U kan stammen, en zijn wat Gij hun had voorgeschreven nagekomen, en hebben gekozen datgene te volgen wat door U werd neergezonden.
Gij ziet, o mijn Heer, hoe zij al hetgeen Gij in Uw Geschriften hebt geopenbaard erkennen en belijden. Geef hun, o mijn Heer, het water van Uw eeuwigheid te drinken uit de hand van Uw genade. Schrijf dan voor hen de beloning neer die is beschikt voor hem die zich in de oceaan van Uw tegenwoordigheid heeft ondergedompeld en de uitgelezen wijn van het U ontmoeten heeft geproefd.
Ik smeek u, o Gij de Koning der koningen en Degeen die medelijden hebt met de verdrukten, voor hen het goede te beschikken van deze wereld en van de wereld die komen gaat. Schrijf bovendien voor hen neer wat geen van Uw schepselen heeft ontdekt en reken hen tot degenen die rond U cirkelen en die zich rond Uw troon bewegen in elk van Uw werelden.
Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Alwetende, de Welingelichte.
Ik weet niet, o mijn God, wat het vuur is dat Gij in Uw land deed ontvlammen. Aarde kan de glans ervan nooit verduisteren, noch kan water de vlammen ervan blussen. Geen van de volkeren der wereld is bij machte de kracht ervan te weerstaan. Groot is de gelukzaligheid van hem die het is genaderd en het loeien ervan heeft gehoord.
Sommigen, o mijn God, stelde Gij door Uw sterkende genade in staat het te naderen, terwijl Gij anderen ervan weerhield vanwege hetgeen hun handen in Uw dagen hebben aangericht. Al wie zich erheen spoedde en het bereikte heeft, in zijn vurig verlangen om Uw schoonheid te aanschouwen, zijn leven gegeven op Uw pad en is, geheel vrij van alles buiten U, tot U opgestegen.
Ik smeek U, o mijn Heer, bij dit vuur dat laait en woedt in de wereld der schepping, de sluiers vaneen te scheuren die mij hebben belet voor de troon van Uw majesteit te verschijnen en aan de deur van Uw poort te staan. Beschikt Gij voor mij, o mijn Heer, al het goede dat Gij hebt neergezonden in Uw Boek, en laat mij niet ver van de beschutting van Uw genade verwijderd zijn.
Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Gij zijt waarlijk de Almogende, de Grootmoedigste.
Geef mij te drinken uit de zoetgeurende stromen van Uw eeuwigheid, o mijn God, en laat mij de vruchten te proeven van de boom van Uw wezen, o mijn Hoop! Veroorloof mij volop te drinken van de kristalheldere bronnen van Uw liefde, o mijn Glorie, en laat mij verblijven in de schaduw van Uw eeuwigdurende voorzienigheid, o mijn Licht! Laat mij over de velden van Uw nabijheid zwerven in Uw tegenwoordigheid, o mijn Geliefde, en zetel mij ter rechterzijde van de troon van Uw barmhartigheid, o mijn Verlangen! Laat een vleug van de geurige bries van Uw vreugde over mij gaan, o mijn Doel, en vergun mij de hoogten van het paradijs van Uw werkelijkheid te betreden, o mijn Aanbedene! Sta mij toe te luisteren naar de melodieën van de duif Uwer één-zijn, o Luisterrijke, en beziel mij door de geest van Uw kracht en Uw macht, o mijn Verzorger! Laat mij standvastig blijven in de geest van Uw liefde, o mijn Helper, en plaats mijn voeten stevig op het pad van Uw welbehagen, o mijn Maker! Laat mij voor immer in de tuin van Uw onsterfelijkheid verblijven voor Uw aangezicht, o Gij die mij genadig zijt, en plaats mij op de zetel van Uw heerlijkheid, o Gij die mijn Bezitter zijt! Verhef mij tot de hemel van Uw goedertierenheid, o mijn Bezieler, en leid mij tot de Dagster van Uw leiding, o Gij die mij bekoort! Roep mij op aanwezig te zijn bij de openbaringen van Uw onzichtbare geest, o Gij die mijn oorsprong en mijn hoogste wens zijt, en laat mij terugkeren tot de essentie van de zoete geur van Uw schoonheid die Gij zult openbaren, o Gij die mijn God zijt!
Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Gij zijt waarlijk de Verhevenste, de Alglorierijke, de Allerhoogste.
Geprezen zijt Gij, o Heer mijn God! Gij ziet en weet dat ik Uw dienaren heb gemaand zich in geen andere richting te wenden dan in de richting van Uw gaven, en hen heb bevolen niets anders in acht te nemen dan hetgeen Gij in Uw Duidelijke Boek hebt voorgeschreven, het Boek dat is neergezonden overeenkomstig Uw ondoorgrondelijk besluit en onherroepelijk plan.
Ik kan geen woord uiten, o mijn God, tenzij Gij mij dit toestaat, en ik kan mij in geen enkele richting begeven tot Gij mij toestemming verleent. Gij zijt het, o mijn God, die mij tot leven hebt geroepen door de kracht van Uw macht, en mij hebt begiftigd met Uw genade om Uw Zaak te openbaren. Ik ben daarom onderworpen aan tegenslagen die mijn tong beletten U te loven en Uw glorie te verheerlijken.
Alle lof zij U, o mijn God, voor de dingen die Gij voor mij hebt beschikt door Uw gebod en door de macht van Uw soevereiniteit. Ik smeek U mij en ook hen die mij liefhebben te sterken in onze liefde voor U en ons standvastig te laten blijven in Uw Zaak. Ik zweer bij Uw macht! O mijn God! Schande is het voor Uw dienaar om als door een sluier van U gescheiden te zijn, en roem is het voor hem U te kennen. Gewapend met de macht van Uw Naam kan niets mij ooit deren, en met Uw liefde in mijn hart kunnen alle rampspoeden van de wereld mij geenszins verontrusten.
Zend daarom neer, o mijn Heer, tot mij en mijn geliefden hetgeen ons zal beschermen tegen het kwaad van hen die Uw waarheid afwijzen en niet in Uw tekenen geloven.
Gij zijt waarlijk de Alglorierijke, de Almilddadige.
Geprezen zijt Gij, o Heer mijn God! Immer wanneer ik poog U te noemen, word ik daarin belemmerd door de verhevenheid van Uw staat en de overweldigende grootheid van Uw macht. Want al zou ik U prijzen gedurende geheel Uw heerschappij en zolang Uw soevereiniteit voortduurt, dan nog zou ik bemerken dat mijn lof voor U slechts passend is voor hen die mij gelijk zijn, die zelf Uw schepselen zijn, door de kracht van Uw gebod werden gevormd en door de macht van Uw wil werden geschapen. En steeds wanneer mijn pen eer betuigt aan welke Uwer namen ook, is het of ik haar stem kan horen weeklagen vanwege het veraf zijn van U, en haar kreten kan herkennen vanwege het van U gescheiden zijn. Ik betuig dat alles buiten U slechts Uw schepping is en zich in de holte van Uw hand bevindt. Het aanvaarden van enige daad of lof van Uw schepselen is slechts een bewijs van Uw wondere genade en overvloedige gunsten, en een blijk van Uw edelmoedigheid en voorzienigheid.
Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uw allergrootste Naam waardoor Gij licht van vuur en waarheid van verloochening hebt gescheiden, om tot mij en mijn geliefden die met mij zijn het goede van deze wereld en van de volgende neer te zenden. Voorzie ons dan van Uw wondere gaven die verborgen zijn voor de ogen der mensen. Gij zijt waarlijk de Vormer van de gehele schepping. Geen God is er dan Gij, de Almachtige, de Alglorierijke, de Allerhoogste.
Glorie zij U, o Koning der eeuwigheid en de Maker van natiën, en de Vormer van ieder vermolmd gebeente! Ik smeek U, bij Uw Naam waardoor Gij de gehele mensheid tot de horizon van Uw majesteit en glorie hebt geroepen, en Uw dienaren tot het hof van Uw genade en gaven hebt geleid, mij te rekenen tot hen die zich van alles buiten U ontdaan hebben, en zich tot U gericht hebben, en zich door de tegenspoed die Gij hebt beschikt niet hebben laten weerhouden zich in de richting van Uw gaven te wenden.
O mijn Heer, ik heb het handvat van Uw milddadigheid gegrepen en mij vastberaden aan de zoom van de mantel van Uw gunst geklemd. Zend dan vanuit de wolken van Uw edelmoedigheid tot mij neer wat mij zal zuiveren van enig gedenken van iemand buiten U, en stel mij in staat mij naar Hem te keren die het voorwerp van aanbidding van de gehele mensheid is, tegen wie de aanstichters van rebellie staan opgesteld, zij die Uw verbond hebben verbroken en niet in U en Uw tekenen geloven.
O mijn Heer, ontzeg mij niet de geuren van uw gewaad in Uw dagen, en onthoud mij niet de ademtochten van Uw Openbaring bij het verschijnen van de pracht van het licht van Uw gelaat. Krachtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Niets kan Uw wil weerstaan, noch hetgeen Gij U met Uw kracht voorneemt tegenhouden.
Geen God is er dan Gij, de Almachtige, de Alwijze.
Glorie zij U, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Uw Naam waardoor Gij de vaandels van Uw leiding hebt geheven, en de schittering van Uw goedertierenheid hebt verspreid, en de soevereiniteit van Uw heerschappij hebt onthuld, waardoor de lamp van Uw namen is verschenen in de nis van Uw eigenschappen, en Hij die de tabernakel van Uw eenheid en de manifestatie van onthechting is helder schijnt, waardoor het pad van Uw leiding bekend is gemaakt, en de wegen van Uw welbehagen aangegeven zijn, waardoor de fundamenten van dwaling zijn gaan wankelen en de tekenen van verdorvenheid zijn afgeschaft, waaruit de bron van wijsheid is ontsprongen, en de hemelse tafel is neergezonden, waardoor Gij Uw dienaren hebt beschut en Uw genezing hebt verleend, waardoor Gij Uw tedere barmhartigheid hebt betoond aan Uw dienaren, en Uw vergeving hebt onthuld temidden van Uw schepselen – ik smeek U hem te behoeden die zich aan U vasthoudt en tot U is weergekeerd, en zich aan Uw erbarmen klemt, en de zoom van Uw liefdevolle voorzienigheid vastgrijpt. Zend dan Uw genezing op hem neer en heel hem, schenk hem de onveranderlijke vastberadenheid die Gij verleent en de rust die Uw verhevenheid schenkt.
Gij zijt waarlijk de Genezer, de Bewaarder, de Helper, de Almachtige, de Krachtige, de Allerheerlijkste, de Alwetende.
Geprezen zij Uw Naam, o Heer mijn God! Ik ben Uw dienaar die het koord van Uw tedere barmhartigheid heeft gegrepen en zich aan de zoom van Uw milddadigheid heeft geklemd. Ik smeek U bij Uw Naam waarmee Gij al het geschapene, zichtbaar en onzichtbaar, onderworpen hebt en waardoor de ademtocht die het ware leven is over de gehele schepping streek, mij te sterken door Uw kracht die de hemelen en de aarde omvat, en mij te behoeden voor alle ziekte en rampspoed. Ik getuig dat Gij de Heer aller namen zijt, en de Beschikker van al hetgeen U behagen mag. Er is geen ander God dan Gij, de Almachtige, de Alwetende, de Alwijze.
Beschik voor mij, o mijn Heer, wat mij in elk van Uw werelden ten goede zal komen. Voorzie mij dan van hetgeen Gij hebt neergeschreven voor de uitverkorenen onder Uw schepselen, die zich noch door de beschuldiging van de beschuldiger, noch door het getier van de ongelovige, noch door de vervreemding van hen die zich van U hebben teruggetrokken lieten weerhouden zich tot U te keren.
Gij zijt waarlijk de Helper in nood door de macht van Uw soevereiniteit. Geen God is er dan Gij, de Almachtige, de Krachtigste.
Glorie zij U, o mijn God! Gij hoort Uw vurige minnaars wenen omdat zij van U gescheiden zijn, en hoort hen die U erkend hebben weeklagen vanwege hun veraf zijn van Uw tegenwoordigheid. Open voor hen de poorten van Uw genade, o mijn Heer, dat zij die met Uw toestemming en naar Uw wil kunnen binnengaan, en voor de troon van Uw majesteit mogen staan, de klank van Uw stem horen, en verlicht raken met het licht dat van Uw gelaat straalt.
Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Niemand kan de kracht van Uw soevereine macht weerstaan. Sedert het begin der tijden waart gij alleen, zonder gelijke, en Gij blijft voor eeuwig ver verheven boven iedere voorstelling of beschrijving van U. Erbarm U dan over Uw dienaren met Uw genade en milddadigheid, en laat hen niet weerhouden worden van de kust van de oceaan van Uw nabijheid. Wie zal zich over hen ontfermen indien Gij hen verlaat, en wie zal hun genegenheid betonen indien Gij hen verre van U houdt? Zij hebben geen ander Heer dan U, niemand om te aanbidden dan U. Behandel hen grootmoedig in Uw overvloedige genade.
Gij zijt in waarheid de Immervergevende, de Meedogendste.
O God, Gij die de Auteur van alle Manifestaties zijt, de Bron aller bronnen, de Wel aller openbaringen en de Oorsprong aller lichten! Ik betuig dat door Uw Naam de hemel van begrip werd getooid, en de oceaan van woorden is aangezwollen, en de beschikkingen van Uw voorzienigheid aan de volgelingen van alle religies zijn verkondigd.
Ik smeek U mij zo te verrijken dat alles buiten U overbodig wordt en ik onafhankelijk van eenieder buiten Uzelf word. Laat dan uit de wolken van Uw milddadigheid datgene op mij neerregenen wat mij in elk van Uw werelden zal baten. Sta mij dan door Uw sterkende genade bij Uw Zaak zo onder Uw dienaren te dienen dat ik datgene zal betonen waardoor ik herinnerd zal worden zolang Uw eigen koninkrijk voortduurt en Uw heerschappij standhoudt.
Dit is Uw dienaar, o mijn Heer, die zich met zijn gehele wezen naar de horizon van Uw milddadigheid, en de oceaan van Uw genade en de hemel van Uw gaven keert. Handel dan met mij naar het Uw majesteit en Uw glorie en Uw milddadigheid en Uw genade past.
Gij zijt in waarheid de God van sterkte en kracht, die bereid is hen die U aanroepen te antwoorden. Er is geen God dan Gij, de Alwetende, de Alwijze.
O Gij, Wiens nabijheid mijn wens is, Wiens aanwezigheid mijn hoop, Wiens gedenken mijn verlangen is, Wiens hof van heerlijkheid mijn doel, Wiens verblijf mijn oogmerk is, Wiens naam mijn genezing, Wiens liefde mijn hart doet stralen en Wien te dienen mijn hoogste streven is! Ik smeek U bij Uw Naam, waardoor Gij hen die U erkennen in staat hebt gesteld hun vlucht te nemen naar de verhevenste hoogten van het U kennen en hen die U toegewijd aanbidden hebt bekrachtigd zich tot de tuin van het hof van Uw heilige gunsten te verheffen, mij te helpen mijn gelaat naar Uw gelaat te keren, mijn ogen op U te vestigen en van Uw heerlijkheid te gewagen.
Ik ben degeen, o mijn Heer, die alles buiten U is vergeten en zich naar de Dageraad van Uw genade heeft gekeerd, die van alles buiten U afstand heeft gedaan in de hoop nader tot Uw hof te komen. Aanschouw mij dan met mijn ogen opgeheven naar de Zetel die straalt met de pracht van het licht van Uw gelaat. Zend dan tot mij neer, o mijn Geliefde, wat mij standvastig in Uw Zaak zal doen zijn, zodat de twijfels van de ongelovigen mij niet zullen beletten mij tot U te keren.
Gij zijt waarlijk de God van Kracht, de Helper in nood, de Allerheerlijkste, de Almachtige.
Verheerlijkt zij Uw Naam, o mijn God! Ik betuig dat als Uw dienaren zich tot U zouden keren met de ogen waarmee Gij hen hebt geschapen en met de oren waarmee Gij hen hebt begiftigd, zij allen meegesleept zouden worden door een enkel woord neergezonden vanuit de rechterzijde van de troon van Uw majesteit. Dat woord alleen al zou voldoende zijn om hun gelaat te verhelderen, hun hart gerust te stellen en hun ziel te doen opwieken naar de sferen van Uw grote heerlijkheid en zich te verheffen tot de hemel van Uw oppermacht.
Ik bid U, o Gij die de Heer aller namen en de Heerser van hemel en aarde zijt, te schenken dat allen die U dierbaar zijn een kelk van Uw barmhartigheid mogen worden in Uw dagen, opdat zij het hart van Uw dienaren tot nieuw leven kunnen wekken. Stel hen ook in staat, o mijn God, te worden als de stortregen uit de wolken van Uw genade en als de wind die de lentegeuren van Uw goedertierenheid verspreidt, dat zij de bodem van het hart van Uw schepselen mogen bedekken met groen gewas en datgene mogen voortbrengen wat de geuren ervan in Uw gehele rijk zal verspreiden, zodat eenieder de zoete geur van de mantel van Uw Openbaring gewaar kan worden. Machtig zijt Gij te doen naar Uw wil.
De kracht van Uw Macht is mij tot getuige! Al wie gedronken heeft uit de kelk die de hand van Uw barmhartigheid ronddroeg, zal zich ontdoen van alles buiten U en zal door een woord uit zijn mond in staat zijn de ziel van diegenen Uwer dienaren die sluimeren op het bed van verzuim en onachtzaamheid in verrukking te brengen, en hen ertoe te bewegen hun gelaat te keren naar Uw grootste Teken, en bij U niets te zoeken dan Uzelf, en van U slechts datgene te vragen wat Gij met de pen van Uw oordeel voor hen hebt bepaald en in de Tafel van Uw gebod hebt voorgeschreven.
O mijn God, zend dan door Uw Allergrootste Naam tot Uw geliefden neer hetgeen hen onder alle omstandigheden nader tot U zal brengen. Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Alglorierijke, Wiens hulp door allen wordt afgesmeekt.
Glorie zij U, o mijn God! Een van Uw dienaressen, die in U en in Uw tekenen gelooft, heeft zich onder de schaduw van de boom van Uw één-zijn begeven. Geef haar, o mijn God, bij Uw Naam, de Kenbare en de Verborgene, volop te drinken van Uw uitgelezen verzegelde wijn, dat die haar zal wegvoeren van haar eigen wezen, en maak haar geheel toegewijd aan het U gedenken en geheel onthecht van eenieder buiten U.
Nu Gij haar de kennis van U hebt geopenbaard, o mijn Heer, ontzeg haar in Uw genade Uw goedertierenheid niet, en nu Gij haar tot U hebt geroepen jaag haar in Uw gunst niet van U weg. Voorzie haar dan van hetgeen wat al wat op Uw aarde te vinden is te boven gaat. Gij zijt waarlijk de Milddadigste, Wiens genade onmetelijk is.
Zoudt Gij enig schepsel het gelijke van de koninkrijken van hemel en aarde schenken, zou dat de immensiteit van Uw heerschappij niet verkleinen, zelfs niet ter grootte van een atoom. De mensen plegen U de Grote te noemen, doch Gij zijt veel groter, want een dergelijke titel is slechts één van Uw namen, die alle slechts geschapen zijn door louter een duiding van Uw wil.
Er is geen God dan Gij, de God van kracht, de God van glorie, de God van kennis en wijsheid.
Verheerlijkt zij Uw Naam, o mijn God en de God aller dingen, mijn glorie en de Glorie aller dingen, mijn verlangen en het Verlangen aller dingen, mijn kracht en de Kracht aller dingen, mijn koning en de Koning aller dingen, mijn bezitter en de Bezitter aller dingen, mijn doel en het Doel aller dingen, mijn drijfveer en de Drijfveer aller dingen! Ik smeek U, laat mij niet van de oceaan van Uw tedere barmhartigheid worden weerhouden, of ver van de kusten van Uw nabijheid zijn.
Niets buiten U, o mijn Heer, baat mij en iemand anders dan U te naderen dient mij tot niets. Ik smeek U bij de overvloed van Uw rijkdom waardoor Gij alles buiten U overbodig hebt gemaakt, mij te rekenen tot hen die hun gelaat naar U hebben gericht en zijn opgestaan om U te dienen.
Vergeef dan Uw dienaren en Uw dienaressen, o mijn Heer. Gij zijt waarlijk de Immervergevende, de Meedogendste.
Menig verkild hart is in vlam gezet met het vuur van Uw Zaak, o mijn God, en menig slapende is gewekt door de zoetheid van Uw stem. Hoevele vreemdelingen zoeken beschutting in de schaduw van de boom van Uw één-zijn, en hoe talrijk zijn de dorstigen die in Uw dagen naar de bron van Uw levend water smachten!
Gezegend is hij die zich tot U heeft gewend en zich heeft gehaast het ochtendgloren van het licht van Uw aanschijn te bereiken. Gezegend is hij die zich met al zijn genegenheid naar de dageraadsplaats van Uw Openbaring en de Bron van Uw inspiratie keert. Gezegend is hij die hetgeen Gij hem door Uw milddadigheid en gaven hebt geschonken op Uw pad besteedt. Gezegend is hij die in zijn diepe verlangen naar U alles buiten U van zich afgeworpen heeft. Gezegend is hij die innige verbondenheid met U ervaart en zich van alle gehechtheid aan iemand buiten U ontdaan heeft.
Ik smeek U, o mijn Heer, bij Hem die Uw Naam is, die door de kracht van Uw soevereiniteit en macht boven de horizon van Zijn gevangenis is verrezen, voor elkeen te bestemmen hetgeen U siert en Uw verheven staat past.
Uw macht is, in waarheid, tegen alles bestand.
O Gij, Wiens gelaat het voorwerp van aanbidding is van allen die naar U smachten, Wiens tegenwoordigheid de hoop is van hen die Uw wil geheel zijn toegewijd, Wiens nabijheid het verlangen is van allen die Uw hof zijn genaderd, Wiens aangezicht de metgezel is van hen die Uw waarheid hebben erkend, Wiens Naam de drijfveer is van de zielen die ernaar hunkeren Uw gelaat te aanschouwen, Wiens stem het ware leven is van Uw minnaars, de woorden uit Wiens mond als levend water zijn voor allen in de hemel en op aarde!
Ik smeek U, bij het onrecht dat Gij hebt geleden en het kwaad dat U is aangedaan door scharen onrechtplegers, om uit de wolken van Uw mededogen tot mij neer te zenden hetgeen mij zal zuiveren van al wat niet van U is, dat ik waardig mag zijn U te prijzen en U lief te hebben.
O mijn Heer, onthoud mij de dingen niet die Gij beschikt hebt voor diegenen onder Uw dienaressen die rond U cirkelen en die voortdurend worden overgoten met de pracht van de zon van Uw schoonheid en de stralen van de glans van Uw gelaat. Gij zijt Degeen die sedert het begin der tijden al wie U zoekt bijstaat, en hem die daarom vraagt overvloedig begunstigt.
Geen God is er buiten U, de Machtige, de Immerblijvende, de Almilddadige, de Edelmoedigste.
Glorie zij U, o mijn God! Mijn gelaat is naar Uw gelaat gekeerd, en mijn gelaat is waarlijk Uw gelaat, en mijn roep is Uw roep, en mijn openbaring Uw Openbaring, en mijn zelf Uw Zelf, en mijn zaak Uw Zaak, en mijn bevel Uw bevel, en mijn wezen Uw Wezen, en mijn soevereiniteit Uw soevereiniteit, en mijn glorie Uw glorie, en mijn kracht Uw kracht.
Ik smeek U, o Gij Vormer der natiën en de Koning der eeuwigheid, Uw dienaressen binnen de tabernakel van Uw kuisheid te beschutten, en hun daden die Uw dagen onwaardig zijn ongedaan te maken. Zuiver hen dan, o mijn God, van alle twijfel en ijdele waan en heilig hen van al hetgeen zich niet verdraagt met hun verwantschap met U, o Gij die de Heer der namen zijt en de Bron van uiting. Gij zijt Degeen in Wiens greep de teugels der gehele schepping rusten.
Geen God is er dan Gij, de Almachtige, de Verhevenste, de Alglorierijke, de Bij-zich-bestaande.
Alle lof, o mijn God, zij U die de bron zijt van alle glorie en majesteit, van grootheid en eer, van soevereiniteit en heerschappij, van verhevenheid en genade, van ontzag en macht. Al wie Gij wilt doet Gij de Allergrootste Oceaan naderen, en al wie Gij verkiest verleent Gij de eer Uw Aloude Naam te erkennen. Van allen die in de hemel en op aarde zijn kan niemand de werking van Uw soevereine wil weerstaan. In alle eeuwigheid heerste Gij over de gehele schepping en Gij zult voor immer voortgaan Uw heerschappij over al het geschapene uit te oefenen. Er is geen ander God dan Gij, de Almachtige, de Verhevenste, de Almogende, de Alwijze.
Verlicht, o Heer, het gelaat van Uw dienaren, opdat zij U kunnen aanschouwen, zuiver hun hart, opdat zij zich tot het hof van Uw hemelse gunsten kunnen wenden en Hem erkennen die de manifestatie is van Uzelf en de dageraad van Uw Essentie. Waarlijk, Gij zijt de Heer aller werelden. Er is geen God dan Gij, de Onbeperkte, de Albeheerser.
O God, en de God aller namen, en de Maker der hemelen! Ik smeek U bij Uw Naam waardoor Hij die het ochtendgloren van Uw macht en de dageraadsplaats van Uw kracht is werd gemanifesteerd, waardoor alles van vaste stof vloeibaar werd, en elk levenloos lichaam tot leven kwam, en iedere bezielende geest bevestigd werd – ik smeek U mij in staat te stellen mij van alle gehechtheid aan iemand buiten U te ontdoen, en Uw Zaak te dienen, en te wensen hetgeen Gij door de kracht van Uw soevereiniteit wenst, en te volvoeren hetgeen Uw wil behaagt.
Daarenboven smeek ik U, o mijn God, voor mij te beschikken hetgeen mij zo rijk maakt dat ik niemand buiten U van node zal hebben. Gij ziet mij, o mijn God, met naar U gekeerd gelaat en met mijn handen geklemd aan het koord van Uw genade. Zend mij Uw barmhartigheid, en schrijf voor mij neer wat Gij voor Uw uitverkorenen hebt neergeschreven. Krachtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Geen God is er dan Gij, de Immervergevende, de Almilddadige.
Verheerlijkt zijt Gij, o mijn God! Ik breng U dank dat Gij Degeen die het ochtendgloren is van Uw erbarmen, de dageraadsplaats van Uw genade en de schatkamer van Uw Zaak, aan mij bekend hebt gemaakt. Ik smeek U bij Uw Naam waardoor het gelaat van hen die U nabij zijn is verbleekt, en het hart van hen die U zijn toegewijd zijn vlucht naar U heeft genomen, te geven dat ik altijd en onder alle omstandigheden Uw koord mag grijpen en verlost mag zijn van alle gehechtheid aan iemand buiten U, en mijn ogen gericht mag houden op de horizon van Uw Openbaring en mag volbrengen hetgeen Gij mij in Uw Tafelen hebt voorgeschreven.
Sier, o mijn Heer, mijn innerlijk en mijn uiterlijk wezen met de tooi van Uw gaven en Uw goedertierenheid. Bescherm mij dan tegen al wat Gij verafschuwt, en help mij en mijn verwanten genadiglijk om U te gehoorzamen en alles te schuwen wat slechte of verdorven wensen in mij kan opwekken.
Gij zijt waarlijk de Heer der gehele mensheid, en de Bezitter van deze wereld en van de volgende. Geen God is er dan Gij, de Alwetende, de Alwijze.
Geloofd zij Uw Naam, o mijn God! Ik smeek U bij de geuren van het gewaad van Uw genade, die op Uw bevel en in overeenstemming met Uw wens over de gehele schepping werden verspreid, en bij de Dagster van Uw wil die door de kracht van Uw macht en Uw soevereiniteit helder aan de horizon van Uw genade schijnt, om elke ijdele waan en nutteloze verbeelding uit mijn hart te wissen, opdat ik mij met al mijn genegenheid tot U mag keren, o Gij Heer van de gehele mensheid!
Ik ben Uw dienaar en de zoon van Uw dienaar, o mijn God! Ik heb de handgreep van Uw genade gevat en mij vastgeklemd aan het koord van Uw tedere barmhartigheid. Beschik voor mij het goede dat bij U is en voed mij van de Tafel die Gij hebt neergezonden uit de wolken van Uw milddadigheid en de hemel van Uw gunst.
Gij zijt, in waarheid, de Heer der werelden, en de God van allen die in de hemel en allen die op aarde zijn.
Geprezen zijt Gij, o Heer mijn God! Dit is Uw dienaar die met diepe teugen de wijn van Uw tedere barmhartigheid uit de handen van Uw genade heeft gedronken en de smaak van Uw liefde in Uw dagen heeft geproefd. Ik smeek U bij de belichamingen van Uw namen die zich door geen enkel leed laten beletten zich te verheugen in Uw liefde of hun blik op Uw gelaat te laten rusten, en die zich door geen enkele schare van achtelozen af laten brengen van het pad van Uw welbehagen, hem te voorzien van het goede dat Gij bezit, en hem tot zulk een hoogte te verheffen dat hij de wereld zal beschouwen als slechts een schaduw die sneller dan een oogwenk voorbij vliedt.
Behoed hem dan ook voor al wat Gij verafschuwt, o mijn God, door de kracht van Uw onmetelijke majesteit. Gij zijt waarlijk zijn Heer en de Heer aller werelden.
Verheerlijkt zijt Gij, o Heer mijn God! Ieder weldenkend mens belijdt Uw soevereiniteit en Uw heerschappij, en ieder onderscheidend oog neemt de grootheid van Uw majesteit en de onweerstaanbare kracht van Uw macht waar. De storm van bezoekingen kan hen die U nabij zijn niet beletten om hun gelaat naar de horizon van Uw glorie te richten, en de stormen van beproevingen zullen er niet in slagen hen die Uw wil geheel zijn toegewijd te belemmeren Uw hof te naderen, of hen ervan weg te houden.
Mij dunkt, de lamp van Uw liefde brandt in hun hart en het licht van Uw genegenheid is ontstoken in hun borst. Zij kunnen niet door tegenslagen van Uw Zaak vervreemd worden, en de wisselvalligheden van het lot kunnen hen nooit doen afdwalen van Uw welgevallen.
Ik smeek U, o mijn God, bij hen en bij de hartgrondige zuchten die zij slaken in hun gescheiden zijn van U, hen te beschermen tegen het kwaad van Uw tegenstanders en hun ziel te voeden met hetgeen Gij beschikt hebt voor Uw geliefden die geen angst zullen kennen en die geen leed berokkend zal worden.
Verheerlijkt zij Uw Naam, o Heer mijn God! Gij zijt Degeen die door alle dingen wordt aanbeden en die Zelf niemand aanbidt, die de Heer is van alle dingen en niemands vazal, die alle dingen kent en door niemand wordt gekend. Gij wenste Uzelf aan de mensen kenbaar te maken; daarom deed Gij, door één woord uit Uw mond, de schepping ontstaan en vormde Gij het heelal. Er is geen ander God dan Gij, de Vormer, de Schepper, de Almachtige, de Krachtigste.
Ik smeek U, bij dit woord dat boven de horizon van Uw wil helder schijnt, mij met diepe teugen te laten drinken van de levende wateren waarmee Gij het hart van Uw uitverkorenen hebt doen herleven en de ziel van hen die U beminnen hebt verkwikt, dat ik mijn gelaat altijd en onder alle omstandigheden geheel tot U mag keren.
Gij zijt de God van kracht, van glorie en milddadigheid. Geen God is er buiten U, de Allerhoogste Heerser, de Alglorierijke, de Alwetende.
Gij ziet, o mijn God, hoe de wandaden van diegenen Uwer schepselen die U de rug hebben toegekeerd tussen Hem in wie Uw Godheid zichtbaar is en Uw dienaren zijn gekomen. Zend tot hen neder, o mijn Heer, datgene waardoor zij zich slechts met elkanders zaken inlaten. Laat hun geweld dan tot henzelf beperkt blijven, zodat het gebied en zij die daar wonen rust mogen vinden.
Een van Uw dienaressen, o mijn Heer, heeft Uw gelaat gezocht en haar vlucht genomen tot de sferen van Uw welbehagen. O mijn Heer, onthoud haar de dingen niet die Gij hebt beschikt voor de uitverkorenen onder Uw dienaressen. Geef dan dat zij zo wordt aangetrokken door Uw woorden dat zij Uw lof onder hen zal verheerlijken.
Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Geen God is er dan Gij, de Almachtige, Wiens hulp allen afsmeken.
Geloofd zij Uw Naam, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Uw Naam waardoor het uur heeft geslagen en de wederopstanding is geschied, en angst en beven allen die in de hemel zijn en allen die op aarde zijn heeft gegrepen, om vanuit de hemel van Uw erbarmen en de wolken van Uw tedere mededogen datgene te laten neerregenen wat het hart van Uw dienaren zal verblijden, zij die zich tot U hebben gekeerd en Uw Zaak hebben geholpen.
Behoed Uw dienaren en dienaressen voor de pijlen van ijdele waan en nutteloze verbeelding, o mijn Heer, en schenk hun een teug van de kabbelende wateren van Uw kennis uit de hand van Uw genade.
Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Verhevenste, de Immervergevende, de Grootmoedigste.
O Gij, Wiens gelaat het voorwerp is van mijn aanbidding, Wiens schoonheid mijn heiligdom, Wiens woning mijn doel, Wiens lof mijn hoop, Wiens voorzienigheid mijn metgezel, Wiens liefde de reden van mijn bestaan, Wiens noemen mijn troost, Wiens nabijheid mijn verlangen, Wiens tegenwoordigheid mijn dierbaarste wens en hoogste streven is, ik smeek U mij niet te onthouden hetgeen Gij voor de uitverkorenen onder Uw dienaren hebt bestemd. Verleen mij dan het goede van deze wereld en van de volgende.
Gij zijt waarlijk de Koning van alle mensen. Er is geen God dan Gij, de Immervergevende, de Grootmoedigste.
Eens in de vierentwintig uur te reciteren, in de middag
Ik getuig, o mijn God, dat Gij mij hebt geschapen om U te kennen en te aanbidden. Ik betuig op dit ogenblik mijn machteloosheid en Uw macht, mijn armoede en Uw rijkdom.
Er is geen ander God dan Gij, de Helper in nood, de Bij-zich-bestaande.
Verheerlijkt zijt Gij, o Heer mijn God! Telkens wanneer ik het waag U te noemen, word ik daarvan weerhouden door mijn grote zonden en mijn ernstige overtredingen jegens U, en bemerk ik dat ik geheel verstoken ben van Uw genade en volkomen machteloos Uw lof te bezingen. Mijn grote vertrouwen in Uw milddadigheid doet echter mijn hoop op U herleven, en de zekerheid dat Gij mij met genade zult behandelen geeft mij de moed U te verheerlijken en U te vragen om hetgeen Gij bezit. Ik smeek U, o mijn God, bij Uw genade die al het geschapene te boven gaat, en waarvan allen die in de oceaan van Uw namen ondergedompeld zijn getuigen, mij niet aan mijzelf over te laten, want mijn hart is geneigd tot kwaad. Behoed mij dan in de burcht van Uw bescherming en in de beschutting van Uw zorg. Ik ben degeen, o mijn God, die slechts wenst wat Gij door de kracht van Uw macht hebt bepaald. Het enige wat ik voor mijzelf heb verkozen is te worden bijgestaan door Uw genadige beschikkingen en de heerschappij van Uw wil, en geholpen te worden met de tekenen van Uw bevel en oordeel. Ik smeek U, o Gij die de Geliefde zijt van de harten die naar U verlangen, bij de Manifestaties van Uw Zaak en het ochtendgloren van Uw bezieling, en de Vertegenwoordigers van Uw majesteit en de Schatkamers van Uw kennis, ontzeg mij Uw heilige woning, Uw tempel en Uw heiligdom niet. Help mij, o mijn Heer, Zijn heilig hof te bereiken, rond Hem te cirkelen en nederig aan Zijn deur te staan. Gij zijt Degeen Wiens macht van eeuwigheid tot eeuwigheid voortduurt. Niets ontgaat Uw kennis. Gij zijt, waarlijk, de God van kracht, de God van glorie en wijsheid. Geprezen zij God, de Heer der werelden! Bahá’u’lláh